Hieronder staan lessuggesties bij de volgende boeken:
Zon op mijn neus
Ik weet wat ik worden wil
Klapzoen
Zon op mijn neus
uitgeverij Zwijsen
Zon op mijn neus is een boek met 68 versjes voor kinderen
van 3-8 jaar. Bij elk versje worden suggesties gegeven hoe je
die op een frisse, originele manier kunt aanbieden aan kinderen.
Het volgt de ankers van de kleuteruitgave Schatkist, maar het is
ook los daarvan te gebruiken. Hieronder volgen er een paar.
*
Mijn neus
speelt fluit.
Wat komt eruit?
Geen geluid.
Wat dan wel?
Een snottebel!
Zet je rechterwijsvinger op het puntje van je neus.
Mijn neus
Bespeel met je vingers een
denkbeeldige fluit.
speelt fluit.
Houd je handen achter je oren.
Wat komt eruit?
Schud nee.
Geen geluid.
Trek een vragend gezicht.
Wat dan wel?
Knijp met je duim en wijsvinger je
neus dicht. Zeg met nasale stem:
Een snottebel!
Doe hetzelfde
nu met de linkerwijsvinger in plaats van met de rechter.
Doe het nu met twee wijsvingers tegelijk.
Vervolgens met twee pinken of duimen.
Zeg het versje op maar spreek de woorden ‘Geen geluid’ niet uit.
Klem de lippen op elkaar en schud nee met uw hoofd.
*
Ik liep door de stad.
Ik wilde wat kopen.
Ik vond dit doosje
en vouwde het open.
Komt er een ventje uitgekropen
met een droevig gezicht.
Hij zegt: ‘Nee, nee,
ik zit op de wc.
Mag het deurtje nu weer dicht?’
Teken een
‘ventje’ op uw wijsvinger: twee ogen , een neus en een
neerhangende mond.
Neem een klein, leeg doosje (paperclips, nietjes) en verwijder
de onderkant.
Steek uw wijsvinger in het doosje.
Verberg uw hand met het doosje achter uw rug.
Ik liep door de stad.
Ik wilde wat kopen.
Haal uw hand tevoorschijn. Het
ventje zit nog in het doosje.
Ik vond dit doosje
en vouwde het open.
Duw met uw wijsvinger langzaam de
bovenkant van het doosje open.
Komt er een ventje uitgekropen
met een droevig gezicht.
Schud NEE met uw vinger/het ventje.
Zeg met zachte, droevige stem:
Hij zegt: ‘Nee, nee,
ik zit op de wc.
Mag het deurtje nu weer dicht?’
Laat uw vinger weer verdwijnen in
het doosje.
Doe met uw andere hand het doosje dicht.
Laat - als het versje bekend is - de kinderen de tekst van het
ventje opzeggen.
*
Linkerbil, zit stil!
Rechterbil, zit stil!
Ik kan willen
wat ik wil
maar mijn billen
zitten never never
nooit niet
stil.
Zeg het versje op met de volgende bewegingen:
Ga recht zitten,
voor op uw stoel en zeg:
Linkerbil, zit stil!
Schommel van de linkerbil op de
rechterbil en weer terug naar de linkerbil.
Blijf even doodstil zitten op de linkerbil bij het woord ‘stil’.
Rechterbil, zit stil!
Schommel van de rechterbil op de
linkerbil en dan weer terug naar je rechterbil.
Blijf even doodstil zitten op de rechterbil bij het woord ‘stil’.
Blijf op en neer wiebelen van links naar rechts.
Ik kan willen
wat ik wil
maar mijn billen
zitten never never
nooit niet
Blijf nu helemaal stil zitten.
stil.
Maak het
wiebelen langer.
Zeg in plaats van twee keer ‘never’ tien keer ‘never’ en een
aantal keren ‘nooit’.
Varieer hiermee naar eigen idee.
Ik weet wat ik worden wil
Aanbieden van het boek
Laat het boek zien en stel de vraag: Wie weet al wat hij/zij
later wil worden?
Kijk of dat beroep in het boek staat en lees het versje voor.
Laat de tekening zien.
Als iemand een beroep opnoemt dat er niet in maakt u zelf met de
kinderen een rijmpje. Het is het handigst om daarvoor
nonsensregels te gebruiken, zoals:
Dikke dakke des
ik word later danseres
dikke dakke dijke
iedereen komt naar mij kijken
dikke dakke daal
in een grote, volle zaal
dikke dakke dappe
en iedereen zal klappen.
Astronaut
Ik heb mijn raket
in de tuin gezet
een druk op de knop
en we stijgen op
momentje maan
ik kom eraan
en ben ik eenmaal boven
boven op de maan
dan doe ik voor
jou
een voor een
de sterren aan.
-Zeg het versje op.
-Zeg het versje nogmaals op. Nu laat u bij de volgende woorden
een paar keer een triangel klinken.
dan doe ik voor jou
een voor een
de sterren aan.
-Zet de cd op bij het liedje van de astronaut (nr. 12).
Vraag kinderen met hun ogen dicht naar het liedje te luisteren.
Als je de sterren ‘hoort klinken’, dan steek je langzaam je
handen de lucht in en wijs je met je vingers één voor één de
sterren aan.
Timmerman
Duimstok in mijn broekzak
potlood achter mijn oor
ik zaag het hout
ik schroef en boor
ik timmer
en timmer
en timmer maar door
ik timmer een tafel
ik timmer een stoel
een hok voor de hond
een heleboel
kom nou eten, zegt mijn papa
ik heb geen tijd
dus kom ik niet
als ik vanavond honger krijg
timmer ik wel een bordje friet
ik zaag het hout
ik schroef en boor
ik timmer
en timmer
en timmer maar door.
-Maak van uw linkerhand een vuist (= de kop van een
grote spijker).
Ook van uw rechterhand maakt u een vuist (= de hamer).
-Zeg het versje op. Steeds bij het woord TIMMER laat u de hamer
op de spijker slaan (=vuist op vuist.)
-Idem, nu met kinderen.
-Bewegingen zijn als volgt uit te breiden:
Duimstok in mijn broekzak [Schuif een denkbeeldige duimstok aan
de zijkant van uw been, als een timmerman die zijn duimstok in
een zijzak van zijn broek steekt.]
potlood achter mijn oor [Schuif een denkbeeldig potlood achter
uw oor.]
ik zaag het hout [Maak een zaagbeweging.]
ik schroef en boor [Maak een beweging alsof u een
schroevendraaier/boormachine vasthoudt.]
Postbode
Ik ben van de post
ik heb de pest
aan boze brieven
boze brieven stuur ik terug
ik bezorg de lieve
alleen de lieve brieven.
Versje leent zich uitstekend voor een weekopening.
-Kind komt als postbode het podium op (met een postbodepet en
postbodetas).
-Postbode haalt brief uit tas en ‘leest’ het versje voor.
-Postbode stopt de brief weer in de tas en gaat af.
-Tip: laat een kind zelf voor een mooie gekleurde envelop zorgen.
Acrobaat
Kijk eens aan
kijk eens aan
ik kan al door een hoepel springen
ik kan al kunstjes aan de ringen
ik kan jongleren met twee ballen
kijk eens aan
kijk eens aan
nou nog op mijn kop gaan staan
zonder om te vallen.
-Lees het versje voor.
-Laat het liedje een keer horen. Wijs kinderen op het
tromgeroffel in het begin en midden van het liedje.
-Kinderen klappen met de handen op de benen. Wie kan er precies
ophouden als de trom stopt?
-Leg hoepels op de grond in de speelzaal. Laat kinderen in en
uit de hoepel springen als u op een trom slaat.
-Leg de hoepels tegen elkaar aan in een grote cirkel. Elk kind
gaat in een hoepel staan. Als u op de trom slaat stappen de
kinderen steeds in de volgende hoepel.
-Gaat dat goed? Wie kan ook naar de volgende hoepel springen? En
wie kan dat met twee benen tegelijk?
-Idem. Nu laat u het lied nog een keer horen en springen de
kinderen in de volgende hoepel op de maat van de muziek (leerkracht
geeft het spring-moment aan met de trom). Bij het tromgeroffel
staat iedereen doodstil.
Klapzoen
Aanbieden van het boek
Laat het boek zien. Wie weet wat een klapzoen is? Van wie krijg
je graag een klapzoen? Van wie juist niet?
We gaan allemaal klapzoenen oefenen op onze hand. Als het goed
lukt mag je iemand die dat leuk (!) vindt een klapzoen geven. Je
mag hem ook voor thuis bewaren, voor papa of mama.
Voorleesopdracht bij het versje ‘Ik vind je zo lief
Lees het versje eerst enkele keren voor. Laat de rijmwoorden
door kinderen invullen. Wie kent al een hele zin?
Laat kinderen dan klappen als ze ‘lief/liefs/lieve’ horen, of
een klapzoen op hun hand geven.
Idem, maar nu heel stil: klem je lippen op elkaar als je ‘lief/liefs/lieve’
zou moeten zeggen. In plaats van het woord hoor je alleen het
klappen (van de zoen).
Ik vind je zo
-klap-,
zo
-klap-klap -klap-.
Zoveel
–klap-
past niet in één brief.
Dus stuur ik jou,
mijn
–klap-,
al mijn
–klap-,
in honderd brieven.
Tekenopdracht
Schrijf een versje uit het boek in het midden van een A-3
tekenvel. Laat kinderen een schilderijlijst maken om het versje
heen: een collage van uitgeknipte plaatjes uit tijdschriften,
die te maken hebben met de inhoud van het versje (bloemen).
Kinderen maken het schilderij af, door erbij te tekenen of
schilderen.
Dramaopdracht bij het versje: Ik ben de prins
Alle jongens en meisjes staan tegenover elkaar; jongens zijn
prins, meisjes prinses.
Jongens: ‘Ik ben de prins.’ (wijzen naar zichzelf)
Meisjes: ‘En ik de prinses.’ (wijzen naar zichzelf)
Jongens: ‘Toe, trouw met mij. O ja, zeg jes.’ (jongens knielen
voor de meisjes)
Meisjes: ‘Nee!’ (meisjes doen armen over elkaar en schudden nee)
Jongens: ‘Nee, wat nou nee? Als jij niet met me trouwt, dan doe
ik niet meer mee!’ (Jongens kijken boos, staan op en draaien
zich om.)
En nu andersom: de jongens zijn prinses en de meisjes prins.
Voor lessuggesties bij Deze dag kan niet meer stuk, verwijzen
wij u naar
www.probiblio.nl
Kijk bij 'producten en diensten' voor deze leskist over techniek.
|